aanbod edudivers

samenvatting leefvormen

Het lessenpakket Leefvormen (voor onder-, tussen-, en bovenbouw) bestaat uit vijf lessen.

Download het pakket "Leefvormen" hier

Leerlingen leren stapsgewijs inzien dat er verschillende opvattingen bestaan over seksualiteit en hoe je ermee omgaat. Kinderen begrijpen meer over hun eigen sociaal-emotionele ontwikkeling en die van andere mensen.De leerkracht zou kunnen nastreven dat de kinderen na deze lessen beseffen dat iedereen verschillend is, dat veel mensen verschillende meningen hebben en dat afwijken mogelijk is maar soms moeilijk kan zijn.

Kinderen in de deze leeftijd staan aan het begin van hun cognitieve ontwikkeling. Ook op het gebied van seksualiteit en rolgedrag valt voor hen nog veel te leren. In hun leven thuis en in een kinderdagverblijf hebben ze waarschijnlijk al wat ervaringen opgedaan. Omdat de kinderen vaak leren door te imiteren, kunnen hun gedrag en ideeën soms nog erg schetsmatig en daarom stereotiep zijn.

Kinderen in groep 1 tot en met 3 (circa 4 tot 7 jaar oud) beginnen een schaamtegevoel te ontwikkelen. Veel kinderen vinden het minder leuk om naakt rond te lopen. In veel Nederlandse gezinnen probeert men schaamte vaak tegen te gaan, in andere culturen wordt schaamtegevoel daarentegen actief aangeleerd als de ouders vinden dat dit hoort bij respectvol sekseonderscheid. Naast een beginnende schaamte zijn de kinderen wel nieuwsgierig naar hoe de ander er bloot uitziet. In veel spelletjes (zoals vadertje en moedertje) proberen kinderen daarachter te komen en experimenteren ze met rollen. Kinderen gebruiken op deze leeftijd al veel woorden die iets met seksualiteit te maken hebben, al weten ze vaak niet wat die woorden precies inhouden. Veel kinderen vinden het spannend en leuk om "vieze" taal te gebruiken (kut, lul, poep, pies). Ook willen kinderen wellicht met een ander kind of met een volwassene trouwen, of voelen zij zich verliefd (vaak zonder onderscheid te maken naar leeftijd of geslacht). Door te spelen met hun gevoel, met fantasie en met voorbeelden uit de omgeving, proberen kinderen uit hoe diverse rollen en leefwijzen voor hen voelen. Ook leren ze zo het verschil tussen fantasie, spel en realiteit beter kennen.

Kinderen in deze leeftijd hebben erg veel behoefte aan warmte. Ze houden ervan om op schoot te kruipen en geknuffeld te worden. Tegelijkertijd zijn de kinderen erg bezig met het aftasten van grenzen, het veroveren van autonomie en het ontdekken van de wereld om hen heen. Kinderen van Nederlandse ouders zullen doorgaans meer worden aangemoedigd om hun autonomie te verkennen, terwijl in Arabische culturen de nadruk bij het ouder worden van het kind steeds meer komt te liggen op het aanleren van "volwassen" waarden en normen (gehoorzaamheid, gemeenschapszin, plicht vervullen).

onderbouw

In de onderbouw beginnen we met het vestigen van de aandacht op verschillen tussen seksen en rollen. Het gaat daarbij om de kinderen te helpen nuanceringen aan te brengen in de vaak te stereotype beelden die zij oppikken. Deze basisnuancering is essentieel om later (middenbouw) een meer actieve belangstelling te stimuleren, die vervolgens het fundament voor echte tolerantie en intercultureel begrip vormt.

In de onderbouw sluiten we aan op de interesse van de kinderen voor sekse- en rolverschillen. We leren ze de echte en aangeleerde verschillen tussen jongens en meisjes, mannen en vrouwen. Echte verschillen zijn geslachtsverschillen, getrouwd zijn en samenwonen, voorkeur hebben voor een relatie met een man of een vrouw. Verschillen waar veel mensen over van mening verschillen zijn rolgedrag en vormen van vriendschap en verliefd zijn. Het gaat niet alleen om de cognitieve verschillen, maar ook om de affectieve verschillen. Dat wil zeggen dat de kinderen leren of verschillen leuk of bedreigend voelen en hoe het voelt om te horen wat anderen over verschillen zeggen. De kinderen moeten als basisvaardigheid leren dat je omgaat met verschillen door respect te hebben en eventueel door uitleg te vragen.

Les 1
Het doel van de eerste les is om kinderen kennis te laten maken met sekse- en rolverschillen. Er wordt begonnen met een werkblad "jongens en meisjes", waarop een qua geslacht onbestemd kind een aantal bezigheden heeft. De kinderen moeten benoemen of zij denken dat sommige bezigheden meer gedaan worden door een jongetje of een meisje. Dit wordt besproken. De daarop volgende werkvorm heet "mannen en vrouwen" en hierbij wordt door de kinderen een pop gemaakt die een man of een vrouw moet voorstellen.

Les 2
In les twee staat het eigen gevoel rond "een jongen zijn" of "een meisje zijn" centraal. Met name wordt verkend of jongens en meisjes hun eigen sekse leuk of minder leuk vinden. In het begin van deze les mogen de kinderen weer een poppetje maken. Maar ze krijgen er nu eentje van een kleiner formaat en geven daarop kenmerken van zichzelf aan ("maak jezelf"). Daarna wordt nagepraat over of zij jongens- of meisjeskenmerken hebben aangegeven en waarom. Stereotype kenmerken worden genuanceerd. Om deze nuancering te versterken heet de daarop volgende oefening "maak jezelf anders". Door maskers, verkleden en schminken maken de kinderen zichzelf anders en vertellen elkaar of ze dat leuk of niet zo leuk vonden.

Les 3
In les drie ligt de nadruk op het verkennen van andermans mening over verschillen. Het gaat vooral om het besef dat er meningsverschillen kunnen zijn en dat dit positief is. De les begint met een sorteerspel. Kinderen leggen allerlei attributen in een "mannen" vak en een "vrouwen" vak. Omdat van veel voorwerpen niet te zeggen is van of zij bij een man of een vrouw "horen" zullen daar meningsverschillen over zijn. Deze worden besproken. Daarbij worden stereotypen genuanceerd. Bij deze oefening is een goed nabespreking dus erg belangrijk. De tweede activiteit is een modeshow. Eerst krijgen de kinderen opdracht om met behulp van afbeeldingen in tijdschriften elkaar zo aan te kleden, dat ze een stoere man of een verleidelijke vrouw zijn. De opdracht is ook om te overdrijven. Na het showlopen wordt een nieuwe modeshow bedacht waarin de kinderen voorbeelden geven van hoe zij zichzelf prettig gekleed vinden.

Les 4
In de vierde les ligt de nadruk op vaardigheden. We concentreren ons op de vaardigheden beleefdheid en respect. De eerste oefening heet dan ook: "Beleefd en onbeleefd". De leraar doet voor wat beleefd en wat onbeleefd is, waarna de kinderen beleefd en onbeleefd tegen elkaar doen. Eerst doen zij dat bij "gewone" dingen en later moeten zij beleefd en onbeleefd reageren op dingen die ze vreemd of raar vinden. In een tweede werkvorm "De flat" wordt hierop voortgebouwd. De kinderen maken elk een huis waarin de, in de eerdere lessen gemaakte figuren kunnen wonen. Al deze huizen worden naast elkaar gelegd tot ze samen een grote flat vormen. Daarna wordt door de kinderen gespeeld dat de bewoners bij elkaar op bezoek gaan. De kinderen zijn verbaasd over de verschillen in de andere huizen en leren hoe ze daar beleefd en met respect op kunnen reageren.

Les 5
In les vijf gaat het om de verwerking van de vaardigheden en indrukken van de vorige lessen. De kinderen beseffen dat iedereen verschillend is en dat mensen veel meningen hebben. Ze beseffen ook dat afwijken soms moeilijk, maar wel mogelijk is. In het begin van de les wordt in "Hoe gaat het met je?" gepeild hoe de kinderen erbij zitten en hoe de vorige lessen zijn gevallen. De nadruk wordt gelegd op dat kinderen zich verschillend kunnen voelen over wat er gebeurd is, maar dat dit goed is. De leerkracht laat merken dat ze met respect worden behandeld. De afsluitende werkvorm heet "Andere gezinnen". Enkele kinderen spelen in de poppenhoek en worden daarbij door andere kinderen geobserveerd. Eerst wordt een korte situatie gespeeld met een traditioneel Nederlands kerngezin, daarna worden door andere kinderen een of twee andere leefvormen gespeeld. Er wordt besproken of alles goed en beleefd en met respect ging.
middenbouw: het geïnteresseerd raken in verschillen sociaal-emotionele ontwikkeling

Voor kinderen van circa 8 tot 10 jaar is interactie met anderen een bron van fascinatie en kennis. Kinderen onderzoeken hun autonomie en hun relaties met anderen. Daarbij leren ze hun emoties beter kennen en gaan hun emoties ook meer reguleren. Kinderen ontwikkelen steeds meer relaties en vriendschappen. Zij spelen steeds vaker met kinderen van hun eigen geslacht. Dat heeft een functie in het ontwikkelen van een (nu nog rudimentaire) mannelijke of vrouwelijke identiteit. Het experimenteren met "man" of "vrouw" zijn gaat geregeld over de grens van het onderling respect. Het kan zijn dat kinderen zich beginnen af te zetten tegen de andere sekse, waarbij jongens meisjes stom vinden en andersom.

Ook treedt er steeds sterker groepsgedrag op: kinderen worden zich er bewuster van dat ze aan de code van een groep moeten voldoen als ze bij die groep willen horen (eerste normbesef). Het wordt duidelijk dat er binnen een intolerante groep soms maar weinig afwijkend gedrag mag worden vertoond. De groepscodes kunnen soms heel gedetailleerd (zelfde soort kleding, gebaren, gedrag) zijn. Ook dit groepsgedrag werkt regulerend op jongens-meisjes verhoudingen en op rolgedrag. Met name onmannelijk gedrag in een jongensgroep wordt steeds meer afgestraft met de opmerking "Je bent toch geen mietje?". Mietje is op deze leeftijd vaak een verzamelterm voor alles wat anders of afwijkend is van de groepsnorm.

Prille gevoelens van verliefdheid zijn belangrijk in deze periode. Er zijn reeds schuchtere experimenten met seksualiteit, vooral in de sfeer van fantasieën en tongzoenen. De fantasieën gaan vaak al over verliefd zijn (of zoals ze zelf zeggen: op elkaar zijn). Waren er in de onderbouw af en toe verliefdheden op een oudere, nu is dat ook vaker op een vriendje of vriendinnetje van dezelfde leeftijd - van dezelfde of de andere sekse. Kinderen proberen ook erachter te komen wat volwassen seks zou kunnen zijn. Meestal zijn deze beelden al enigszins negatief. Ze merken op dat seks iets is dat vaak stiekem gebeurt. Spannend dus, maar ook een beetje eng.

Kinderen in deze leeftijd wordt op het hart gedrukt niets van vreemde mevrouwen of meneren aan te pakken en zeker niet met ze mee te gaan of ze aan hun lichaam te laten komen. Bij dit advies wordt weinig rekening gehouden met het feit dat het merendeel van het seksueel misbruik gebeurt door familieleden en kennissen.
Voor het technische verhaal rond seksualiteit hebben kinderen wel belangstelling, maar dat wordt niet op zichzelf, maar alleen op volwassenen van toepassing geacht. Daarom willen kinderen graag weten wat volwassenen doen en hoe zij eruit zien. De kennis van de kinderen over seksualiteit is nog onvolledig en hun eigen beleving daarvan speelt nog niet een belangrijke rol. Wel doen veel kinderen al aan vormen van zelfbevrediging.

Vanaf deze leeftijd gaat de lichamelijke ontwikkeling bij meisjes sneller verlopen dan bij jongens. Dat wekt over en weer jaloezie: meisjes of jongens die verder zijn in hun lichamelijke ontwikkeling worden benijd. Sommige jongens of meisjes gaan denken dat er (lichamelijk) iets mis met ze is, omdat ze nog niet hebben wat de meeste andere jongens of meisjes al wel hebben.

Middenbouw

In de middenbouw willen we dat kinderen geïnteresseerd raken in verschillen. Het gaat daarbij niet alleen om geslachtsverschillen en rolverschillen, maar ook om verschillen in de omgang. Hoe jongens met meisjes (en vice versa) omgaan, het verschil tussen liefde en vriendschap, uitsluitingsgedrag en insluitingsgedrag in groepen vormen de thematiek. In de lessenserie wordt daarbij nader verkend wat objectieve verschillen zijn en welke verschillen door mensen zelf gemaakt worden. Het gaat zowel om het leren kennen van je eigen reacties en om de nieuwsgierigheid naar hoe andere mensen reageren. Uiteindelijk gaat het om de vaardigheid van kinderen om hun nieuwsgierigheid te uiten. Dit kan bijvoorbeeld door vragen te stellen en door te informeren naar meningen.

Les 1
In de eerste les gaat het om het introduceren van de lessenserie en het creëren van inzicht in verschillen tussen jongens, meisjes, man, vrouw, vriendschap en verliefd zijn. Verder wordt de houding dat het goed is om nieuwsgierig te zijn naar verschillen geïntroduceerd. In deze les zitten twee werkvormen. In de eerste, "Relaties", schrijft de leerkracht het woord "relaties" op het bord en vraagt de kinderen of ze weten wat het betekent. In groepjes van twee schrijven de kinderen alle vormen van relaties op die ze kunnen bedenken. In de tweede werkvorm "Liefde en vriendschap" wordt gebruik gemaakt van een werkblad waarop verschillende situaties staan die liefde of vriendschap kunnen betekenen. Deze situaties worden besproken. Aan het eind van deze les wordt het huiswerk (het lezen van jeugdboeken over leefvormen) geïntroduceerd.

Les 2
Het doel van de tweede les is dat kinderen leuke en vervelende kanten van zichzelf hebben ontdekt. Het gaat vooral om dingen die ze leuk en vervelend vinden op grond van verschil met anderen, dus om de acceptatie van hun uniekheid en om hun zelfwaardering in relatie tot anderen. De les bestaat, naast het bespreken van de gelezen boeken, weer uit twee werkvormen. In de eerste, "Dat ben ik" verzamelen de kinderen plaatjes uit tijdschriften waarop ze kenmerken van zichzelf herkennen. Op deze manier denken ze na over zichzelf. In de tweede werkvorm "Wat ik fijn vind" tekenen kinderen na een kort gesprek iets wat ze fijn vinden en schrijven daar commentaren bij. Ook na deze les is er weer huiswerk.

Les 3
Het doel van de derde les is dat de kinderen de mening van anderen over verschillen hebben ontdekt en daarin geïnteresseerd zijn geraakt. Eerst wordt het huiswerk besproken. Daarna heet de oefening "Mart en Martha" gedaan. Hierbij krijgen de kinderen een kort verhaal en moeten daar de namen Mart of Martha invullen. Het invullen ontlokt een discussie over wat typisch jongens- of typisch meisjesachtig gevonden wordt. In de tweede oefening, "Beelden van liefde", wordt een collage rond de thema's liefde en vriendschap. Tijdens en na het maken van de collages wordt besproken wat de meningen van anderen (waaronder maatschappelijke meningen) hierover zijn. Ook na deze les is er weer huiswerk.

Les 4
In de vierde les ligt de nadruk op het leren van een aantal vaardigheden die kinderen nodig hebben om actief geïnteresseerd te kunnen zijn in verschillen. Het gaat met name om het leren vragen stellen. Het huiswerk wordt besproken en dan wordt een "vragenspel" gespeeld. De leraar vouwt een papieren spelletje met daarin verschillende vragen die kinderen kunnen beantwoorden. Door met het vouwspel te werken krijgen alle kinderen in de klas een vraag die ze moeten beantwoorden. Daarna leren de kinderen hoe ze het vragenhoedje zelf kunnen vouwen en ze kunnen het eventueel meenemen naar huis. Aan het eind van de les gaan de kinderen elkaar interviewen over hoe zij anders zijn dan anderen en waarom dat is. Ook na deze les is er weer huiswerk.

Les 5
De vijfde les heeft als doel om kinderen te laten beseffen dat je veel van elkaar kunt leren en dat met name onderlinge verschillen leuke en goede momenten opleveren. Het resultaat zou kunnen zijn dat kinderen uit zichzelf gaan aangeven dat het leuk is om uit te vinden hoe mensen van elkaar verschillen. Het huiswerk wordt besproken. Daarna leest de leerkracht een "onafgemaakt verhaal" voor over een meisje dat door andere meisjes op school gepest wordt omdat ze alleen maar met jongens speelt. De kinderen moeten het verhaal zelf afmaken. Ook de volgende werkvorm draait om een verhaal. Dit heet "Op bezoek bij Tio Sergio" en gaat over Carina in Brazilië, die een weekend gaat logeren bij haar oma en haar lievelingsoom Sergio, die met zijn vriend uit Nederland op bezoek is. Nu wordt nabesproken hoe kinderen zelf in zo'n situatie zouden reageren.

= bovenbouw
=
Kinderen van elf à twaalf jaar beginnen zichzelf voor het eerst met de ogen van een ander te bekijken. Het begint hen daarbij op te vallen dat meningen en waarden nogal kunnen verschillen. Als de kinderen met de ogen van een ander naar hun eigen lichaam kijken, ontdekken zij hun eigen lichaam als het ware opnieuw. Veel kinderen maken zich zorgen over hun ontwikkeling en uiterlijk. Van veel van hen ontwikkelt het lichaam zich sneller en voor sommigen begint de puberteit al op de basisschool. Dit zijn spannende dingen, in positieve en in negatieve zin. Met de lichamelijke ontwikkeling ontstaat ook een meer aandacht voor seksualiteit. In eerste instantie beperkt deze aandacht zich tot fantasieën over contact maken met anderen en een fascinatie voor hoe anderen leven. Meisjes praten veel over jongens, jongens kijken meer naar meisjes. De emotionele ontwikkeling van meisjes gaat sneller dan die van jongens. Een deel van de kinderen heeft reeds de eerste seksuele ervaringen. Meestal gaat het in eerste instantie om kusjes geven, later om tongzoenen en strelen. Onder de kleren strelen en coïtus beginnen doorgaans in de middelbare schoolleeftijd. Maar ook wijst onderzoek uit dat circa drie procent van de leerlingen op twaalfjarige leeftijd al de eerste coïtus heeft gehad.

Door het kijken en vergelijken ontstaan ook veel onzekerheden. Een deel van de onzekerheden heeft betrekking op de eigen voorkeuren versus de wensen en normen van ouders, leerkrachten en van andere kinderen. Dit kan gaan over kleding, maar ook over (rol)gedrag en seksuele voorkeur. In het primair onderwijs zijn dit vaak nog onbenoemde kwesties. Bij circa dertig procent van de jongeren rond de 12 jaar bestaat er twijfel over de eigen seksuele identiteit.

Doordat kinderen een meer uitgebreide woordenschat hebben en door hun verstandelijke ontwikkeling, zijn ze meer in staat zijn om ook meer abstracte zaken te benoemen. Hierdoor beginnen zij hun conceptuele kennis over de wereld vorm te geven. Zo wordt het voor het eerst mogelijk om niet alleen over feiten en fantasieën te praten, maar ook over het verschil tussen feiten en waarden, eigen emoties en andermans emoties en om meer genuanceerd onderscheid te maken. Kinderen weten vaak wel al de woorden voor homoseksualiteit, biseksualiteit, lesbische vrouwen, heteroseksualiteit, travestie, en transseksualiteit, maar ze kennen de betekenissen nog niet goed en verwarren al deze termen vaak nog met andere negatief klinkende woorden als manwijven, hoeren, souteneurs en drugsdealers. Een goede uitleg is echter mogelijk en de kinderen zijn nu aanspreekbaar op het leren van de verschillen.
algemene doelen

In de lessenserie voor de bovenbouw ligt de nadruk op het waarderen van de verschillen. Waarderen kan op twee manieren worden opgevat: positief of negatief. In feite gaat het dus om het vormen van een mening over verschillen en het kunnen formuleren van voorkeuren en afkeuren over omgangsvormen en leefvormen. Het is belangrijk dat de school en de leerkracht zich bewust is van de eigen mening en niet doet alsof men geen positie inneemt. In een multiculturele maatschappij is het ongewenst dat men verschillen per definitie afkeurt. Daarom moeten kinderen leren positief te staan ten opzichte van verschillen in het algemeen. Dit wil echter niet zeggen dat men altijd een positieve mening moet hebben ten aanzien van wat van jezelf verschilt. Daarom moeten kinderen leren onderkennen welke verschillen zij prettig en onprettig vinden en hoe zij daar op een sociaal vaardige manier mee kunnen omgaan. De vaardigheidsdoelstellingen van deze bovenbouwlessen zijn daarom dat de kinderen weten hoe men zijn of haar mening met respect kan uiten en hoe men anderen, zelfs als die anders zijn, in hun waarde kan laten.

Les 1
Het doel van deze les is het leren kennen van verschillen tussen diverse leefvormen. De les bestaat uit drie werkvormen. De eerste is de introductie van een schema over mogelijke leefvormen. Dit gebeurt aan de hand van een werkblad met zeven plaatjes van leefvormen; dit schema wordt ook in woorden op het bord gezet. Het leefvormenschema blijft gedurende de lessenserie op het bord zodat het een soort kader vormt voor de rest van de lessenserie. De tweede werkvorm heet: "Mijn leefvorm". Er worden zeven kwartetten van leefvormen gemaakt en leerlingen bedenken vier kenmerken van elke leefvorm. Tenslotte worden in "Hoe zou het anders zijn?" door de leerkracht drie vragen over de eigen leefsituatie aan de kinderen gesteld en worden de antwoorden vergeleken. De les eindigt met huiswerk: het lezen van jeugdboeken.

Les 2
Het doel van deze tweede les is te onderzoeken wat het verschil tussen de eigen leefvorm en die van anderen is en hoe de kinderen zichzelf voelen over zulke verschillen. Daarnaast wordt een start gemaakt met het vormen van een eigen mening over deze verschillen. De les begint met het bespreken van de gelezen boeken. Vervolgens wordt een "Woordveld leefvormen" gemaakt. Dit is een associatiespel rond het woord "relaties". Daarna schrijven de kinderen korte verhaaltjes over elke leefvorm. De les eindigt met huiswerk: het lezen van jeugdboeken.

Les 3
Het doel van deze les is om te onderzoeken hoe anderen, in en buiten de klas, zich voelen over verschillen en welke mening men heeft over diverse leefvormen. Het huiswerk wordt besproken. Daarna leidt de werkvorm "Beelden van leefvormen" via het maken van collages tot een discussie over beeldvorming van leefvormen. Vervolgens gaan de kinderen met elkaar voorbereiden welke vragen zij in een interview over een leefvorm zullen stellen. Als huiswerk krijgen de kinderen mee dat ze interviews doen met hun ouders of met bekenden over hun leefvorm. De leerkracht belt met de te interviewen personen van een minder gangbare leefvorm en zorgt dat die in de komende les in de les geïnterviewd kunnen worden.

Les 4
Het doel van deze les is dat men zijn of haar mening over leefvormen kan uiten met respect voor anderen. De nadruk van deze les ligt op vaardigheden. De les begint met het interview met een vertegenwoordiger met een minder gangbare leefvorm die door de leerkracht is uitgenodigd. Naar aanleiding daarvan worden individuele verslagen gemaakt van het interview in de klas en de interviews die kinderen thuis hebben afgenomen. De les eindigt met huiswerk: het lezen van jeugdboeken.

Les 5
Na deze afsluitende les zullen de kinderen moeten beseffen dat het uiten van je mening en gevoelens over verschillen met respect voor de ander noodzakelijk is voor een goede omgang. Een gebrek aan respect is destructief. Na een bespreking van de gelezen boeken wordt de werkvorm "Meningen over leefvormen" gedaan. Daarbij moeten de leerlingen een enquête over leefvormen invullen en wordt over de verschillende meningen die daaruit blijken gediscussieerd. Tenslotte schrijven de kinderen een "Advies aan Fatima", een meisje dat twijfelt of ze wel (al?) met jongens wil omgaan.

Download het pakket "Leefvormen" hier